De vroege geschiedenis van onze hedendaagse Deerhound hult zich in geheimzinnige nevelen.  Wat we weten is dat in het verre verleden in het noorden van Schotland zeer grote honden werden gebruikt voor de jacht op het hert.

Verspreid over Schotland zijn bewerkte stenen gevonden met afbeeldingen van grote honden. In het “National Museum of Antiquities of Scotland” ligt een collectie van deze oude stenen en velen tonen afbeeldingen van grote honden die op herten jagen.

Ook is het niet exact te achterhalen wanneer de Deerhound zijn naam heeft gekregen, want in vroegere tijden sprak men van Schotse Greyhound, Ierse Greyhound, Highland Deerhound, Ruwharige Greyhound en variaties hiervan. Rond 1859, toen de eerste hondententoonstellingen werden georganiseerd, kreeg de Deerhound zijn definitieve naam.
Tevens zijn er geen afbeeldingen of goede rasbeschrijvingen van de Deerhound bekend van voor de eerste helft van de 18e eeuw. Wel zijn er vele verhalen bekend vanaf het begin van de 15e eeuw over jachten met grote ruwharige  honden op het Edelhert. Het gewei is een zeer gevaarlijk wapen en vele jonge, onervaren Deerhounds verloren toentertijd door hun overmoed, het leven. De Deerhound moet dus wel over een enorme kracht, snelheid, moed, wendbaarheid en inzicht beschikken om zo’n machtig en krachtig hert aan te kunnen. .

In de “Historie and Cronicles of Scotland”, verzameld en geschreven door Robert Lindesay van Pitscottie, gedateerd 1528, vinden we dat de koning en de edelen soms het aangename van de jacht vermengen met het handhaven van de wet en orde.
In 1570 verschijnt er een artikel van de hand van Conrad Heresbach, een Duitser, waarin hij vele raskarakteristieken beschrijft die we vandaag de dag nog in onze Deerhound terugvinden.
Eind 1500 werden de “Deerhounds” zo gewaardeerd dat er tientallen als geschenken naar buitenlandse koningen werden gezonden. Onder andere naar de koning van Denemarken.
In de tweede helft van de 18e eeuw wordt er weer volop vermelding gemaakt van de Deerhound en tot het begin van de 19e eeuw beleeft het ras een glorietijd.
Door de uitbreiding van gecultiveerd land, de toename van schapenboerderijen,  en vooral door het verbeterde jachtgeweer, raakte het ras in verval.
Toen de oorlog in 1815 ten einde kwam, zochten de terug gekeerde militairen een spannende sport en dit vonden ze in een nieuwe vorm van Deerstalking. De eigenaren van de bossen, waarvan er in 1812 ongeveer 5 waren, hadden al gauw door dat als ze de bossen in kleinere kavels verdeelden, ze veel meer aan verhuur voor de jacht konden verdienen.

Een kleine honderd jaar later waren er 130 “bossen”. De raszuivere Deerhound werd overbodig en zelfs lastig want hij zou het wild van het ene bos het andere injagen en zowel de jacht als de burenrelaties
verstoren. Dus de jacht veranderde in besluipen en beschieten van de prooi en hiervoor had men een hond nodig die het spoor van een gewond hert kon volgen. Een gekruiste Collie was hier veel beter voor geschikt.
Gelukkig waren er een paar enthousiastelingen die nog op de oude manier met de Deerhound werkten en zelfs nog in 1929 gebruikte Lord Londonderry raszuivere Deerhounds.

In 1838 verschijnt het boek “Days of Deerstalking” van William Scrope.
Hierin is een bijdrage van Archibald M’Neill waarin hij spreekt over de enorme zeldzaamheid van het ras. Archibald M’Neill en zijn broer Lord Colonsay zijn zo overtuigd van de superioriteit van de raszuivere Deerhound boven alle rassen voor het echte deer-coursing, dat ze alle pure lijnen die ze kunnen vinden verzamelen.
De lijnen waar ze gebruik van maakten waren van de Menzies familie, de MacDonnel’s of Glengarry, Cluny Macpherson, Colonel Mitchell en de familie Ross. In 1846 werpen de krachtsinspanningen van de M’Neills hun vruchten af. In het boek “The Wild Sports of the Highlands” van St. John staat dat het ras niet meer zeldzaam is en dat de geldelijke vergoeding voor een goed gefokte hond de kosten en moeite van het grootbrengen dekken.
Maar helaas waren de omstandigheden tegen de voortduring van deer-coursing en de door M’Neill gegeven prikkel begon af te nemen. Ook hondenziekten, onvruchtbaarheid en degeneratie bedreigden de Deerhound opnieuw.
Gelukkig kwam er weer hulp, dit keer uit het zuiden waar Major James Robertson de lijn van zijn oom Colonel David Ross in stand hield. Andere fokkers waren Sidney Dobell de dichter, Captain Graham (nadien de grondlegger van de moderne Ierse Wolfshond maar toen een toegewijde liefhebber van de Deerhound), Mr. Wright-Osmaston, Mr. Barr, Mr Hickman en Mrs Parsons.En met deze namen verrijst het ras uit de mist van het verleden; de heldendaden van vervlogen dagen verbleken en de Deerhound stapt in een ander strijdperk, de wereld van showringen, stambomen en prijzen.       
Toen de Deerhound veranderde van werkhond in show- en gezelschapshond beseften men dat voor de volgende generaties die nooit een Deerhound zouden zien werken, het wellicht belangrijk zou kunnen zijn om een aantal punten vast te leggen. De heren Hickman en R. Hood Wright legden  zich toe op de beschrijving van de Deerhound en op 26 november 1892 werd deze beschrijving door de Deerhound Club goedgekeurd en in 1901 bevestigd. Hierna zijn er nog een paar keer kleine veranderingen aangebracht en de laatste wijziging in de standaard dateert van 17-6-1998.
Verschillende belangrijke fokkers van eind 1800 tot 2000 waren: Mr. Graham, Mr. Hickman, Mrs. Armstrong (Abbotsford), Mr. Weston Bell (Rossie), Mr. Hood Wright (Selwood), Mr. Rawson (St. Ronan’s), Miss Doxford (Ruritania), Mr. Cummings (O’the Pentlands), Miss Richmond (Bridge Sollers), Miss Linton (Geltsdale), Misses Loughrey (Ross), Miss Bell (Enterkine), Miss Hartley (Rotherwood) en Miss Noble (Ardkinglas).  Al deze namen zijn geschiedenis maar hun bloedlijnen leven voort in onze hedendaagse Deerhounds.